Dan zal ik leven

Het zal in alle vroegte zijn

als toen.

De steen is weggerold.
Ik ben uit de grond opgestaan.
Mijn ogen kunnen het licht verdragen.
Ik loop en struikel niet.
Ik spreek en versta mijzelf.
Mensen komen mij tegemoet.
Wij zijn in bekenden veranderd.

De ochtendmist trekt op.
Ik dacht een dorre vlakte te zien.
Volle schoven zie ik, lange halmen, aren
waarin de korrel zwelt.
Bomen omranden het bouwland.
Heuvels golven de verte in.
bergopwaarts, en worden wolken.

Daarachter,
kristal geworden, verblindend,
de zee die haar doden teruggaf.

(Huub Oosterhuis)